Van onze verslaggever

Robin Gerrits

Welke eisen stellen wij aan docenten, luidt de vraag in het zesde en laatste themablok van de Onderwijsagenda. Of, als stelling geformuleerd: docenten hebben meer kennis, kunde en vaardigheden nodig. De laatste jaren groeit het besef dat, voor een hogere onderwijskwaliteit, de uitrusting van degenen die voor de klas staan moet worden verzwaard. In zijn Kohnstamm-lezing van maart 2007 constateerde neerlandicus en toenmalig KNAW-president Frits van Oostrom scheefgroei: de lesboeken worden door de uitgeverijen almaar rijker verzorgd, dikker en duurder, en de leraren worden steeds dunner; afhankelijker ook van die methode. ‘De docent is te veel de amanuensis van andermans boek geworden. Geen wonder dat hij zo bleekjes voor de klas staat.’

Heeft uw betoog iets uitgehaald?

‘Niet zo veel. Uitgeverijen zeggen: het ontwikkelen van goede lesboeken is gewoon erg duur. Maar met datzelfde argument verdedigt de farmaceutische industrie de exorbitant hoge medicijnprijzen. Het moet allemaal minder kostbaar, al was het maar omdat de leraar die er les uit geeft dan wel meer te vertellen moet hebben. Het zwaartepunt is te veel verschoven naar de lesmethode en het onvermijdelijke werkboek. Dat draagt bij aan de afbladdering van de docent.’

Maar wat kan er mis zijn met een goede lesmethode?

‘Een zwakke docent zal daar blij mee zijn, heeft er houvast aan. Maar we moeten juist naar ook vakinhoudelijk beter gekwalificeerde leraren. De drempel voor lerarenopleidingen mag best wat omhoog.’

‘Je moet die docent ook gelegenheid geven zichzelf te zijn, zijn persoon in te zetten. Er moet ruimte komen voor zijn rol als inspirator, zijn vermogen anderen te boeien met eigenheid en vakkennis. Klink hem niet vast aan dat vuistdikke lesboek. Dat lukt makkelijker als hij hoger opgeleid is.

‘Jammer genoeg is het onderwijs tegenwoordig ingesteld op wantrouwen. Dit verhaal heeft geen schurk, we hebben het met zijn allen zo ver laten komen. Ook schaalvergroting: vroeger had je in een vaksectie nog bewegingsvrijheid, nu zit je als leraar in een groep van vijftien docenten, die van het bestuur allemaal met dezelfde methode moeten werken, in dezelfde week hetzelfde proefwerk geven, dat volgens dezelfde normen wordt gecorrigeerd. Dat draagt allemaal niet bij aan het zelfbewustzijn van die vakdocent.

‘Mooi voorbeeld is het examen Nederlands van vorig jaar: er zat een tekst van mij bij. Ik ging eens naar het correctiemodel met voorgeschreven antwoorden kijken en belandde in een gereedschapskist vol boutjes, schroefjes en nippeltjes. Heel precieze eisen. Ik dacht: hiervoor kun je geen 3 meer halen, maar ook geen 10. Je doet het nooit helemaal goed. Treurig hoe alles was voorgekookt.’

Je kunt ook zeggen: duidelijke normen zorgen in elk geval voor een stevig minimumniveau.

‘Zeker, en je moet het centraal examen ook niet afschaffen. Maar als je het zo op details instelt, werk je in de hand dat docenten het op de automatische piloot doen. Waarom niet terug naar een docent en een gecommitteerde of tweede corrector, die onderling dealen over wat juist is? We hebben docenten nodig die inspireren, niet alleen maar afvinken.’

Waar leer je dat inspireren? Allemaal bijles op de toneelschool?

‘Een leraar ís in zekere zin een acteur, zijn presentatie is belangrijk. Wat scholing daarin is helemaal niet misplaatst. Maar geef hem ruimte voor eigen inbreng. Ik vroeg kinderen de laatste maanden wel: hebben jullie bij aardrijkskunde iets over die aswolk gehad? Maar nee, dat komt later pas in het boek, of ze hebben vulkanen al een jaar eerder gedaan. Dat is toch doodzonde? Zo’n leraar kan gloriëren door op dat moment prachtig over vulkanen te vertellen.’

Hoe krijg je die die boeken eigenlijk dunner? Uitgeverijen zullen dat niet zelf doen.

‘Klopt. Ik had gehoopt dat uitgeverijen door de gratis-schoolboekenoperatie gedwongen zouden worden goedkopere methodes te maken, maar daar ziet het niet naar uit. Den Haag moet wat meer durf tonen en zelf grenzen stellen. De basishouding is in Nederland vaak afwachten. We lijken ook steeds meer op Buurman en Buurman: elke keer weer een nieuwe quasioplossing voor een quasiprobleem: weer een pleistertje erop, weer een u-bochtje ertussen…

Het onderwijsmodel is te star: het lijkt te veel op sjoelen en te weinig op skiën. We rammen die leerlingen met grote kracht in een van die vier vakjes, en daar komen ze nooit meer uit. Op een skihelling kun je best beginnen met een stukje blauwe piste, dan een stukje rood, en als het heel goed gaat een stukje zwarte piste. Laat dat eens bestaan. In Nederland is het altijd alles of niets.’