Robin Gerrits

Zelfs een zaal vol vakmatig geïnteresseerden is geen garantie voor succesvol onderwijs. ‘Ik merk dat ik wat begin in te zakken’, zei een 58-jarige leraar Nederlands maandagavond in Hogeschool Windesheim in Zwolle na een uur lang panelleden te hebben aangehoord. ‘Kan het wat interactiever?’
Voor het boeien van een gehoor komt kennelijk meer kijken dan een behartenswaardig verhaal. Eigenlijk ging het precies daarover, in het zesde en laatste debat in de Onderwijsagenda, die de Volkskrant samen met uitgever ThiemeMeulenhoff, SLO en Kennisnet organiseert. Hebben docenten genoeg kennis, kunde en vaardigheden om leerlingen anno 2010 nog iets bij te brengen?
Dat daar het nodige aan schort is in het onderwijsdebat van de laatste jaren uitvoerig belicht: hoe kun je verwachten dat kinderen iets opsteken van meesters en juffen die zelf niet foutloos spellen en rekenen? Hoe stimuleer je scholieren het uiterste uit zichzelf te halen als het gemiddelde opleidingsniveau van diegenen voor de klas al decennia in een glijvlucht naar beneden verkeert? En hoe houd je het niveau van die leraar op peil in een tijd dat de tekorten op de onderwijsarbeidsmarkt groeien en groeien?
Begin eens af te rekenen met die zelfhaat, betoogde Ferry Haan, voormalig Volkskrant-journalist en sinds twee jaar economieleraar: dat geklaag over werkdruk, salaris, vervelende leerlingen en management, daar werf je allemaal geen nieuwe collega’s mee. Haan vindt het juist een prachtig vak. ‘Je kunt altijd maar blijven leren hoe je dat wonder tot stand kunt brengen dat leerlingen ineens iets doorzien.’ Dat vergt eigenschappen van een podiumkunstenaar, die vier tot zeven voorstellingen per dag geeft.
Volgens Theo Wubbels, oprichter van de academische pabo van de Universiteit Utrecht, zit het unieke van de goede leraar niet in zijn presentatie of zijn inhoudelijke bagage. ‘Vakkennis is nodig, maar is niet genoeg’, zei Wubbels. ‘Een goede voetballer is ook nog geen goede trainer. Een leraar is bijzonder als specialist in het aanleren van het leren zelf. Dat is niet aangeboren. Veel kinderen leren heel inefficiënt.’
Ton van Rijn van basisschool de Wittering uit Rosmalen spreekt liefst helemaal niet meer van dé docent. In zijn school, die kinderen optimaal de ruimte wil bieden zelf verantwoordelijkheid voor het leren te ontwikkelen, zijn allerhande leraren nodig: academici voor specifieke kennis en onderzoek, maar ook hbo’ers voor de groepen zelf, begeleiders als ondersteuning en specialisten voor bijvoorbeeld muziek en drama.
Publiciste Inez Groen (Generatie Einstein) vond vooral een open houding naar die steeds maar veranderende leerlingen van belang. ‘Jongere leerkrachten erkennen dat de relatie met de scholieren iets wederzijds heeft. Bij ouderen zie ik vaker de klachthouding: jullie moeten dankbaar zijn dat ik me de hele dag voor jullie sta uit te sloven.’ Dat helpt allemaal weinig.
Zo ging het in Zwolle nog maar weinig over wat die leraar nu precies in zijn ransel tekort komt. Het ging over kinderen, over boeken, over de relatie met ouders, een beetje over arbeidsvoorwaarden. Maar niet over welke kennis en technieken je minimaal bij een docent mag verwachten. Maar volgens Haan geeft dat ook niet. Het belangrijkste voor een docent is toch zijn enthousiasme, zijn liefde voor kinderen. Dat de een dat didactisch zus vormgeeft en de ander zo, is eigenlijk een zegen: ‘Die leerlingen krijgen soms acht uur les op een dag. De hele dag klassikaal frontaalles is niks, maar de hele dag powerpoints of groepsklusjes ook niet. Die variatie is juist prima.’